Expressionisme ontstond vooral in Duitsland als een bewuste afwijzing van de strikte regels van de academische kunst. Kunstenaars zochten naar nieuwe uitdrukkingsvormen die verder gingen dan de traditionele schoonheidsidealen. Ze vonden inspiratie in zowel de middeleeuwse kunst als in de zogenaamde “primitieve” kunst van niet-Europese culturen, bijvoorbeeld in maskers of rituele figuren, waarvan de directe expressiviteit hen fascineerde.
De kunstenaarsgroep “Die Brücke”, die in 1905 werd opgericht en waartoe onder andere Ernst Ludwig Kirchner, Erich Heckel, Karl Schmidt-Rottluff en Fritz Bleyl behoorden, zorgde voor een belangrijke impuls. Hun werken werden gekenmerkt door intense kleuren, hoekige vormen en radicale subjectiviteit. Tegelijkertijd ontwikkelde zich in Frankrijk het Fauvisme, een beweging die ook de nadruk legde op kleur, maar meer gericht was op schilderkunstige vrijheid dan op sociale of existentiële kwesties.
Een andere belangrijke bijdrage werd geleverd door de “Der Blaue Reiter” groep kunstenaars die in 1911 in München werd opgericht rond Wassily Kandinsky en Franz Marc. Hiertoe behoorden ook August Macke, Gabriele Münter, Paul Klee en Alexej von Jawlensky. Hun gemeenschappelijke doel was om de expressieve mogelijkheden van kunst uit te breiden en het geestelijke zichtbaar te maken in het beeld - een benadering die aanzienlijk bijdroeg aan de ontwikkeling van de abstracte schilderkunst.